IPv4 versus IPv6: heb je echt extra IPv4-adressen nodig
Kort antwoord
De meeste moderne workloads draaien prima op één IPv4-adres plus IPv6, of zelfs op IPv6 alleen achter een reverse proxy. Extra IPv4-adressen heb je echt nodig als je meerdere TLS-certificaten draait op systemen zonder SNI-ondersteuning, aparte mailservers hebt die hun eigen reputatie en reverse DNS nodig hebben, licenties hebt die aan een specifiek IP gebonden zijn, of multi-tenant hosting draait waarbij elke klant een eigen adres nodig heeft. Dual-stack, IPv4 en IPv6 samen draaien, is in de praktijk de gangbare standaard en niet een strikte of/of-keuze.
Waarom IPv4-adressen schaars zijn
IPv4 gebruikt een 32-bit adresruimte. Dat klinkt als veel, tot je bedenkt hoeveel apparaten en diensten tegenwoordig een adres nodig hebben. Die ruimte raakte jaren geleden op, in de zin die er echt toe doet: de regionale registries die vroeger gratis nieuwe IPv4-blokken uitgaven, hebben niets meer. De enige manier om nu aan IPv4-adressen te komen, is ze kopen van iemand die ze al bezit, op een open markt. Die schaarste is een feit voor de hele branche, niet iets specifieks voor één provider, en daarom brengen extra IPv4-adressen doorlopende kosten met zich mee, waar je ook host. Wat er bij een Worldstream-server inbegrepen zit, en hoe je er adressen bij neemt, lees je in IPv4- en IPv6-adressen op je server. Wat het kost, check je bij de actuele prijzen op worldstream.com of via een ticket in Portal: geen van beide artikelen noemt een bedrag.
IPv6 heeft dat schaarsteprobleem niet. De adresruimte is enorm veel groter, toewijzingen zijn ruim bemeten, en er is geen vergelijkbare open markt die de prijs opdrijft als je er meer van nodig hebt.
Wanneer je echt meer dan één IPv4-adres nodig hebt
Extra IPv4-adressen nodig hebben komt meestal door een specifieke technische beperking, niet door een algemene voorkeur. De meest voorkomende redenen:
- Meerdere TLS-certificaten op systemen zonder SNI-ondersteuning. Server Name Indication (SNI) laat één IP-adres meerdere HTTPS-certificaten bedienen, doordat de client tijdens de TLS-handshake aangeeft welke hostname hij wil. Moderne browsers en servers ondersteunen dit, maar sommige verouderde clients en oudere embedded of appliance-software niet. Daar heeft elk certificaat nog steeds zijn eigen IP-adres nodig.
- Aparte mailservers. De afleverbaarheid van e-mail hangt sterk af van de reputatie van het verzendende IP-adres en de bijbehorende reverse DNS-record. Draai je meer dan één mailserver, of wil je een bulkverzendstroom scheiden van transactionele mail, dan geef je elke server meestal zijn eigen IP-adres. Zo beïnvloeden reputatieproblemen van de ene server de andere niet.
- Licenties gekoppeld aan een specifiek IP-adres. Sommige licenties voor commerciële software zijn gebonden aan een IP-adres in plaats van een hostname of hardware-ID. Dat systeem heeft dan een vast, stabiel IPv4-adres nodig.
- Multi-tenant hosting waarbij elke klant een eigen adres nodig heeft. Verkoop je hosting door, of draai je infrastructuur waarbij elke tenant bereikbaar moet zijn op een eigen IP-adres (voor SSL, firewallregels, isolatie), dan is dat een directe eis van één IP per tenant.
Wanneer IPv6 alleen genoeg is
Voor een groeiend deel van de workloads is IPv6 alleen echt voldoende:
- Moderne webservices achter een reverse proxy of load balancer, waarbij alleen de proxy naar het internet toe zichtbaar is en backend-systemen helemaal geen eigen publieke adressen nodig hebben.
- API-backends, vooral als die worden aangeroepen door andere diensten en moderne clients in plaats van rechtstreeks door de browser van eindgebruikers.
- Interne infrastructuur die sowieso niet publiek bereikbaar hoeft te zijn via IPv4.
- Alles waarbij je beide kanten van de verbinding beheert, of waarbij de betrokken clients en dependencies IPv6 ondersteunen, wat inmiddels geldt voor de meeste besturingssystemen, browsers en clouddiensten.
De eerlijke kanttekening is bereik: moet je bereikbaarheid garanderen voor elke mogelijke client op het internet, inclusief oudere netwerken of apparaten die nog geen IPv6-connectiviteit hebben, dan blijft IPv4-bereikbaarheid belangrijk. Dat aandeel krimpt met de tijd, maar is nog niet verdwenen.
Dual-stack: de gangbare standaard, geen keuze die je wordt opgedrongen
In de praktijk kiezen de meeste echte implementaties niet voor IPv4 óf IPv6, ze draaien dual-stack: een server heeft tegelijk een IPv4- en een IPv6-adres, en clients verbinden via het protocol dat ze ondersteunen, waarbij IPv6 meestal de voorkeur krijgt als het beschikbaar is. Dual-stack omzeilt de keuze tussen het een of het ander volledig. Je hoeft niet vooraf te gokken of elke toekomstige client IPv6 heeft, en je hebt geen extra IPv4-adressen nodig voor basale bereikbaarheid: één IPv4-adres naast IPv6 dekt dat al. Extra IPv4-adressen worden dan een aparte vraag die je beantwoordt op basis van de specifieke behoeften hierboven, in plaats van een standaardkeuze.